Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Omzetbelasting; art. 3, lid 1, letter h, (oud) van de Wet OB; art. 11, 13 en 13a Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting; herziening omzetbelasting bij belaste levering van een gebouw binnen de herzieningsperiode; ingeval ter zake van een integratielevering heffing van omzetbelasting achterwege is gebleven wegens een beroep op een goedkeurende resolutie, geldt als grondslag voor de herziening de voor de bouw in rekening gebrachte omzetbelasting.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



19 december 2014

nr. 13/05951

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 oktober 2013, nr. AWB 13/15, betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft op eigen grond een als verpleeghuis bestemd gebouw (hierna: het gebouw) laten neerzetten. Belanghebbende heeft het gebouw in mei 2006 voor het eerst in gebruik genomen door het te verhuren aan een zorginstelling (hierna: de zorginstelling). De verhuur aan de zorginstelling vond plaats met vrijstelling van omzetbelasting.

Belanghebbende heeft in de bouwfase afgezien van het recht op aftrek van omzetbelasting, en zij heeft na de eerste ingebruikneming van het gebouw geen omzetbelasting voldaan ter zake van een levering in de zin van artikel 3, lid 1, aanhef en letter h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst tot 2007; hierna: de Wet), deze levering hierna aangeduid als integratielevering.

2.1.2.

Op 24 april 2008 heeft de Inspecteur ter zake van de eerste ingebruikneming van het gebouw aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd op de grond dat sprake is van een integratielevering. Belanghebbende heeft tegen die naheffingsaanslag bezwaar gemaakt en na afwijzing van dat bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank.

2.1.3.

Op 29 februari 2008 heeft belanghebbende het gebouw geleverd aan de zorginstelling. Op grond van artikel 11, lid 1, letter a, aanhef en 1˚, van de Wet is deze levering belast met omzetbelasting. Belanghebbende heeft daarop de Inspecteur verzocht om herziening van de aftrek als bedoeld in artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Uitvoeringsbeschikking). De Inspecteur heeft een teruggaaf verleend en is bij de berekening van de hoogte daarvan uitgegaan van het bedrag aan omzetbelasting dat bij de hiervoor in 2.1.2 bedoelde aanslag van belanghebbende is nageheven.

2.1.4.

Bij uitspraak van 21 juli 2010, nr. AWB 08/4546, ECLI:NL:RBBRE:2010:BN2814, heeft de Rechtbank de hiervoor in 2.1.2 bedoelde naheffingsaanslag vernietigd op de grond dat belanghebbende de toepassing van de integratielevering achterwege mocht laten met een beroep op de in paragraaf 3 van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 30 november 1994, nr. VB94/3619 (hierna: Mededeling 26), opgenomen goedkeuring.

2.1.5.

Na vernietiging van de hiervoor in 2.1.2 bedoelde naheffingsaanslag heeft de Inspecteur het wegens herziening terug te geven bedrag herrekend aan de hand van de omzetbelasting die aan belanghebbende in rekening is gebracht ter zake van de bouw en welke belasting in totaal lager was dan de omzetbelasting die ter zake van de integratielevering was geheven. Het verschil heeft de Inspecteur bij de onderhavige aanslag nageheven.

2.2.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat gebruikmaking van de in Mededeling 26 opgenomen goedkeuring betekende dat belanghebbende ter zake van de aanwending van het gebouw voor de van omzetbelasting vrijgestelde verhuur geen omzetbelasting behoefde te betalen en dat zij als voorwaarde daarvoor heeft aanvaard dat zij afzag van de aftrek van omzetbelasting die betrekking had op de totstandkoming van het gebouw. Het gevolg van een en ander is geweest, aldus de Rechtbank, dat de op het gebouw drukkende omzetbelasting niet is die welke ingevolge artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet verschuldigd is maar de omzetbelasting die op de kosten van de totstandkoming van het gebouw rust. Door gebruik te maken van de goedkeuring heeft belanghebbende aanvaard dat als grondslag voor de aftrek van omzetbelasting zou gelden de op de kosten van de totstandkoming van het gebouw drukkende omzetbelasting. De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het doel en de strekking van de herzieningsregeling is om aan een wijziging van het gebruik van een onroerende zaak ten opzichte van het jaar van ingebruikneming gevolgen te verbinden voor de aftrek van omzetbelasting en niet is een wijziging van de grondslag die voor de oorspronkelijke aftrek in aanmerking is genomen. Gelet op een en ander bieden de herzieningsbepalingen niet de gelegenheid in latere jaren ter zake van de levering van de onroerende zaak van een andere grondslag uit te gaan, aldus nog steeds de Rechtbank.

2.3.1.

De middelen richten zich tegen de hiervoor in 2.2 omschreven oordelen en herhalen het voor de Rechtbank gehouden betoog dat voor herziening van de omzetbelasting op de voet van de artikelen 11, 13 en 13a van de Uitvoeringsbeschikking moet worden uitgegaan van de aftrek van omzetbelasting zoals die volgens het wettelijke systeem had moeten gebeuren, hetgeen betekent dat in dit geval een herziening had moeten plaatsvinden van het bedrag aan omzetbelasting dat volgens de Wet, in dit geval met toepassing van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet, had moeten worden geheven.

2.3.2.

De middelen falen. De Rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing gegeven.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2014.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature